Juul volgt haar eigen koers!


Journalist: Marcel Rözer

2020 had de bekroning moeten worden voor judoka Juul Franssen. In het jaar waarin ze dertig werd moest en zou het gebeuren op de Olympische Spelen in Tokyo. Het ging dus allemaal anders, maar één ding is zeker, mochten de Spelen in 2021 plaatsvinden, dan gaat er een ervaren topjudoka naar Japan. Eentje die na een conflict met de judobond, na corona, tot op het bot gemotiveerd is. Een gesprek met slagersdochter en Federer-fan Juul Franssen.

Eigenlijk zou iedereen die werkelijk geïnteresseerd is in het fenomeen ‘topsporter’ eens dóór moeten vragen als het gaat om ‘de trainer’. In werkelijkheid ligt daar vaak een heel team achter verborgen. Zo heeft Juul Franssen een hoofdcoach op Papendal en een aantal trainers in Rotterdam. ‘Mijn hoofdcoach heet Jean Paul Bell. In Rotterdam train ik met Ge van de Elshout en Chris de Korte. En mijn krachttrainer is Hans Kroon.’ Vooral die laatste is een verhaal waard. ’Ik vergeet de eerste keer dat ik bij Hans kwam nooit meer. Dat was elf jaar geleden. Ik had allerlei angstverhalen gehoord. OMG, dacht ik. Nou moet ik vast overgeven. Eigenlijk kwam ik terug van een elleboogblessure, maar toen Hans vroeg of ik mijn sportspullen bij me had, twijfelde ik geen moment. Natúúrlijk had ik mijn spullen bij me. Als ik die niet mee had genomen, had ik direct op -10 gestaan. Ik ging de zaal binnen als een mak lammetje. Het waren mannen en vrouwen door elkaar. Het was precies wat ik nodig had. In Helmond waar ik al jarenlang trainde, stond ik eenzaam bovenaan in de pikorde. Hier kon ik bij leren, beter worden. Zeker ook mentaal opzicht.’
Dat laatste is van onschatbare waarde, weet ze als geen ander. ‘Als je met Hans traint ga je door een spreekwoordelijke muur. Na elf jaar stap ik nog steeds met een nerveus gevoel naar binnen. Als ik niet scherp ben, word ik afgemaakt.’ Met die houding werkt ze elke dag. ‘En dus als een gevecht gelijk eindigt, en er dus een Golden Score komt, dan sta ik alvast voor. Dan denk ik: ‘Fuck, ik heb bij Hans getraind. Ik ben zo fit dat ze maar heel moeilijk van mij kunnen winnen.’
Waar het hem precies in zit, die mentale hardheid, vat ze als volgt samen: ‘We werken met losse gewichten, dus hangen niet alleen aan de apparaten. Verder kun je niet zeggen: ik doe vandaag mijn rug. Het hele lichaam komt aan bod. Je wordt fijngeknepen en als je bij Hans niet door die muur gaat, doe je dat bij een wedstrijd ook niet.’

Aldus zit Juul Franssen op Olympisch niveau in haar sport. Een sport die begon met een beker die thuiskwam. ‘Ik was vijf en jaloers. Dát wilde ik ook. Er kwam een instuif en ik mocht mee met mijn broers en zus. Het was zo leuk om op zo’n grote mat te stoeien met elkaar. Het was direct mijn ding… Haha, en mijn ouders waren blij dat die druktemaker af en toe het huis uit was.’
Ze begon te judoën tegen de jongens. ‘Eerst won ik, maar het fysieke verschil werd te groot. Toch was ik kwaad dat er geen jongens meer in mijn poule zaten.’ Later, toen ze de sportacademie deed, begreep ze dat heel veel meiden het niet leuk vinden om tegen jongens een sportief gevecht te houden. ‘Ze waren boos als ik een gemengd spelletje deed, dat je een bal moest afpakken. En in 2020 moet je er helemaal rekening mee houden. Dat veilige sportklimaat moeten we serieus nemen, al vind ik het soms wel een beetje overdreven, al die discussies.’

Hoewel het erop kan lijken dat ze niets anders deed dan judoën, was ze wel degelijk actief op andere ‘velden’ dan de tatami. ‘Ik heb geturnd, gezwommen, aan atletiek gedaan. Maar dat ging elkaar in de weg zitten. Tegenwoordig zwem ik weer twee keer per week, gewoon voor de afwisseling. Ik loop op zondagochtend een rondje om de Kralingse Plas.’
Die brede motorische ontwikkeling heeft haar goed gedaan. ‘Ik heb het allereerst gedaan omdat het leuk is. Maar nu ik wat ouder ben en ik kijk naar andere sporten… Wielrenners vallen als kleine kinderen. Kin op de borst, hebben ze nog nooit van gehoord. Aan de vele valpartijen ga je niets veranderen, maar wellicht dat ze met valtrainingen hun val beter kunnen breken en dus minder schade overhouden.’
Behalve dat ze er brood in ziet om op jonge leeftijd sporten te combineren, vindt ze ook dat judo in het basispakket op basisscholen zou moeten zitten. ‘Net als met zwemmen leer je iets waardoor je jezelf in veiligheid kunt brengen.’

Ze staat waar ze nu staat dankzij de beslissingen die ze nam. Een daarvan was verhuizen van Helmond naar Rotterdam – ‘mijn toenmalige echtgenoot werd erdoor verrast, maar hij ging mee omdat ik het wilde’. Een andere keuze was haar weigering om op Papendal centrale trainingen te volgen, zoals de judobond dat wilde. ‘Dan had ik een stap achteruit gedaan en dus heb ik dat geweigerd. Ik heb hard moeten vechten om hier te blijven trainen, en ik ben er trots op dat ik dat heb gedaan.’ 
En dus bereidt ze zich in Rotterdam Noord voor op wat haar finest hour moet worden. ‘Het zou natuurlijk wel balen zijn als ik geen goud zou pakken, maar ik moet het relativeren anders maak ik mezelf helemaal gek. De zon gaat daarna gewoon weer op hoor. Dat is een cliché, ik weet het. Ik vind daarnaast wel dat ik er álles aan gedaan moet hebben. En daar hoort dus bij dat ik hier in Rotterdam de basis leg.’
Ze noemt haar manier van judoën dan ook Rotterdams. ‘Je hebt in Nederland altijd twee kampen gehad. Rotterdam en Haarlem. Rotterdam is meer technisch, en Haarlem is vooral veel kwantiteit en harde randori’s maken. De Haarlemse school is, zeg maar, Rafael Nadal en de Rotterdamse school is Roger Federer. Ik prefereer de Federer-stijl. Als je op Papendal rondkijkt tijdens de trainingen zie je gelijk waar de basis van desbetreffende judoka vandaan komt.’
Laat nou net Roger Federer haar grote idool zijn.’ Als Federer uit een toernooi ligt, dan kijk ik niet eens meer. Hij verloor een keer van Djokovic en toen heb ik gehuild. Ik wil hem graag nog een keer zien tennissen, maar daar heb ik geen tijd voor. Ja, het zou geweldig zijn als ik hem op de Olympische Spelen tegen zou komen.’

Het programma van de topsporter zit vol, zo ervaart ze dagelijks. ‘Maar ik zie het breder hoor. Een moeder van vier kinderen, dat is ook topsport. Of een werkweek van 70 uur.’ Feit is dat ze bijna altijd bezig is met judo. En met mensen die haar beter maken. ‘Ik zie hoe steeds meer online gebeurt. Technogym heeft het Bio-circuit met een wellness-sleutel waarin alle informatie is opgeslagen. Aan de hand van metingen weten ze precies wanneer je wat moet doen, althans dat is wat je gezegd wordt. Voor een onderhoudende training is dat als topsporter prima, maar sportspecifiek zal ik daar aanvulling in moeten hebben.’
Ze heeft er discussies over met sportwetenschappers, met de technisch directeur van de judobond. ‘Die wil heel graag dat we alles meten, melkzuurgraad, lactaat, enzovoort. Dan zien zij wanneer ik over mijn piek heen ben en moet rusten. Maar als ik over een piek heen ben in een wedstrijd zeg ik toch ook niet: sorry, ik moet stoppen. Als ik bij die grens denk aan stoppen, ga ik nooit meer door die muur heen. Daarom houd ik zo van trainen hier in Rotterdam, no nonsense. Al die metingen, ik hoef ze niet.’
‘Neem de slaapmeters. Normaal zat ik tussen de 44 en 48 pols in de ochtend. Had ik een keer 54 en was ik zogenaamd overbelast. Daar heb ik dan de hele dag mee in mijn hoofd gelopen. Mijn humeur ging ik baseren op die hartslag. M’n training ging dan desondanks vaak heel goed. Soms klopt het gevoel niet met wat zo’n meter aangeeft. Ik denk wel dat het goed is om het bij te houden, je moet er alleen niet alles op baseren. Gewoon gezond blijven nadenken.’

Ze brengt grote offers, het zit in haar genen. ‘Mijn vader en moeder werkten keihard. Hij was slager. In het gezin was weinig ruimte voor emoties, maar dat is gelukkig wel wat veranderd. Ja, ik denk ook wel dat ik een harde ben. Technisch gezien zou ik dit weekeinde naar mijn ouders kunnen gaan, maar ik moet rust hebben. Ze mogen altijd bij mij langs komen, maar soms heb ik daar ook even geen zin in. Het kost mij energie, stel dat ze me iets heftigs vertellen, dan gaat dat toch in mijn kop zitten. Ik ben een familiemens, maar toch ook een egocentrische topsporter.’
Soms denkt ze nog wel eens terug aan de tijd dat ze niet mocht judoën vanwege het conflict met de bond. ‘Ik heb toen uiteindelijk een zaak tegen de bond gewonnen en toen ik weer mocht had ik kippenvel. Die adrenaline die vrijkomt als ik de mat op stap… Heerlijk. En als mensen zeggen dat ik zoveel dingen mis, dan zeg ik: ‘Hoe gaaf dat ik in de bloei van je leven om de hele wereld over te vliegen om het maximale uit jezelf te halen. Dat vind ik een privilege.’

©Copyright: Sports Inspirator